Welkom, reiziger. [Log in] of [registreer je]. [Activerings-mail niet ontvangen?]


home
contact
chat
2
1
1
Stuur bladwijzer

Iemand op de hoogte brengen van dit topic? Iemand vragen om hier een bijdrage te plaatsen? Stuur een bladwijzer!

Openbaar vervoer anno 1299  (1669 keer gelezen)

Speeldatum: 31 mei 1299 (Einde lente)

0 leden en 1 reiziger bekijken dit verhaal.

« [] : 6 jaar geleden »
Joash gaapte. Van tussen de zakken en potten en manden gluurde hij eens over de rand van de kar. Waar was hij beland?

Wat begonnen was als een uitstekende slaapplek in Oikilan was verrassend snel overgegaan in een plotselinge beweging, gevolgd door het geluid van ratelende wielen en een zeeziekmakende cadans van de kar waar Joash zijn toevlucht had gezocht. De zon was nog nauwelijks op geweest toen zijn slaapplek was veranderend in een bewegende kar met koetsier en aangezien de poort al in zicht was voordat de jongen had bedacht dat hij op een kar zat, besloot hij wijselijk weg te duiken tussen de goederen. Een ritje was eigenlijk ook wel spannend, dus waarom zou hij niet eens een dagje uitgaan?

Inmiddels was het twee dagen later en was het aan de geoefende maag van Joash te danken dat zijn honger nog niet hoorbaar was geweest voor de man op de bok. Hij had een beetje gedommeld, maar nu de zon toch op begon te gaan, werd het tijd om weer alert te worden. Bovendien vertelde de man op de bok juist dat ze er bijna waren. Tegen het paard weliswaar, maar Joash verstond het ook. Hoog tijd om dit schip van de weg te verlaten. De jonge phaosfee had nog nooit iemand ontmoet die blij was met een verstekeling. Hij wachtte het juiste moment af en hop, daar ging hij. Met een lenige sprong kwam Joash elegant op zijn knieën terecht. Au. Nu waren zijn knieën wel wat gewend, dus de jongen stond algauw weer.

Goed, waar waren we gebleven? Er stond dus een jonge phaosfee op de weg die van zijn leven nog nooit buiten Oikilan was geweest. En hij had honger.
Plan A was snel gemaakt: de kar volgen. Plan B was eventueel: de weg volgen.

Enige tijd later doemde er een enorme tempel op. Nee, het was meer een kruising tussen de tempel van Abilad en het gebouw van de IRMM. Enorm was het in elk geval zondermeer. Er was een poort en een gracht en een ophaalbrug en dan waren er nog de muren. Met een kennersblik oordeelde Joash dat je daar best omhoog kon klimmen. Het grote punt was, hoe kwam je over de gracht? Die brug ging misschien nu net naar beneden voor de kar, maar niemand had Joash uitgenodigd, dus kon hij beter achterom gaan. Want dat hij dit gevaarte van binnen wilde bekijken stond vast. Wie weet was er eten.

De jongen volgde de slotgracht een tijdje, maar die leek nergens doorwaadbaar. Hij moest dus zelf een brug fiksen. Tegen het eind van de middag had Joash zowel twee takken gevonden die over de gracht pasten en ze naar de gracht gesleept. Nu was het wachten tot het ging schemeren en dan moesten de takken erover geduwd worden en kon hij eindelijk gaan klimmen.

En dan eindelijk was het zover. Met inspanning van al zijn krachten legde de jonge phaosfee de takken over het water, nam een aanloop en rende de takken over in de hoop dat ze hem zouden houden. Tot drievierde ging het goed, daarna verdwenen de takken in het water bij gebrek aan een overkant waar ze op hadden kunnen leunen. Met de takken verdween ook Joash in het water, met aanzienlijk meer herrie dat wel. Een luide schreeuw klonk toen de phaosfee het ijskoude water indook. Als een volleerd verzuipende drenkeling begon hij alles te doen waardoor je normaliter niet boven blijft en met een schreeuw verdween Joash onder water.

« [Reactie #1] : 6 jaar geleden »
Het begon aardig donker te worden terwijl Vladimir naar buiten liep. Het was eens in de maand dat hij buiten de poort kwam. Wisseling van omgeving, zoals hij dat dan noemde. Het was fijn om af en toe te voelen dat hij niet opgesloten was. Een wandeling in de avondlucht was meestal het resultaat van zijn zoektocht naar vrijheid. Helaas keerde hij na de nachten altijd weer terug naar de lessen in het kasteel. Terug naar de gevangenschap binnen de poorten. Het was een gewoonte geworden om in het kasteel te wonen.

Geschreeuw en lawaai trok zijn aandacht. Een sprintje werd ingezet en op een afstandje zag hij nog net hoe iets onder waakte zakte. Snel sprong Vladimir het bewegende iets achterna, hij dook naar de phaosfee en met veel moeite wist hij de jongen op de kant te krijgen. Het duurde even voordat hij zelf weer op adem was, maar daarna keek hij wat hij eigenlijk uit het water. Zijn mantel werd over de jongen heen geworpen.
"Gaat het?" werd er kil gevraagd.

« [Reactie #2] : 6 jaar geleden »
De phaosfee spoog een flinke gulp met grachtwater op de grond, hoestte en herhaalde dat nog een paar keer. Daarna schudde hij zijn vettige haren uit als een hondje. "Gaat wel," bevestigde hij. "Ci," vulde hij aan en hoestte nog wat water op. "Koud." Een knikje naar het water gaf aan dat hij daarop doelde.

De weerwolf kreeg een brede glimlach en toen was het tijd om er vandoor te gaan. Plus 1 mooie mantel, concludeerde hij tevreden terwijl hij het op een rennen zette in de richting van..
Mmm, het was een stuk donkerder dan net, waar moest hij heen? Die kant maar. Half struikelend over een boomwortel rende Joash in de richting van Oikilan. Hoopte hij.

« [Reactie #3] : 6 jaar geleden »
Meteen rende de weerwolf achter de jongen aan, toen hij er vandoor ging. Gelukkig had Vladimir wel goed zicht in het donker en een goed gehoor en was hij redelijk snel bij de jongen die zijn  mantel had meegenomen, zeker toen hij ook nog half struikelde was het een goed moment om bij hem te komen. Ruw werd hij bij zijn graag gegrepen en meegesleurd. Hij ging terug naar de plaats waar hij vandaan kwam.

Onderweg nam Vladimir zijn eigen mantel weer terug en dat rotjoch zou weer fijn in de gracht verdwijnen.
"Hier steel je niet en zeker niet van een weerwolf!" Met die woorden werd de phaosfee weer in de gracht gesmeten. Hoe hij het zou overleven moest hij maar zelf uitvissen, het was niet meer Vladimir's probleem. Hij ging terug naar binnen, naar bed.
« Laatst bewerkt op: 6 jaar geleden door Vladimir I. V. Ru. Teresjkova »

« [Reactie #4] : 6 jaar geleden »
Zo.. die mens was verrassend snel. Iets te snel voor zijn gezondheid. Sterk ook. Hoewel Joash bepaald niet meewerkte, werd hij weer in de richting van de gracht gesleurd. Hij kon ongeveer raden wat de mens van plan was. Zo origineel waren die wezens niet.

En inderdaad, een mantel armer en een slok grachtwater in zijn maag rijker, kwam Joash de phaosfee enkele tellen later proestend boven. Als hij had kunnen zwemmen had hij vast leerzame gedachten gehad als: dat doen we dus niet weer, maar hij kon niet zwemmen en daarom dacht hij met name: IK GA DOOD!.

Dat gedacht hebbende, zonk hij weer naar beneden, de diepte in. Eigenlijk kon hij er net staan, maar in zijn paniek had de jongen dat niet door. En zelfs in een cm water kun je verdrinken.
Terwijl de phaosfee ten onder ging en worstelde, kwamen er plotseling geluiden van boven. Zou luctor dan nog een keer gevolgd kunnen worden door emergo?

« [Reactie #5] : 6 jaar geleden »
Sadirs tuurde over de muur toen hij veel gekraak hoorde. In de gracht lag iemand en het zag er naar uit dat die persoon lag te verdrinken. De gorgo zuchtte en liep in de richting van de stenen trap naar beneden. Iemand die probeerde een slotgracht over te steken in het midden van de nacht was vast niet veel goeds van plan. Mocht het wezen beneden toch verdrinken, dan was dat jammer. 'Jakobus, kun je even meelopen? D'r ligt iemand in de gracht te verzuipen.'

Na wat touw gepakt te hebben, opende het tweetal een kleine deur en stonden vervolgens op een heel klein stukje grond tussen de muur en de gracht. Er liep iemand aan de andere kant van het water. 'Weerwolf, Vladimir,' lichtte Jakobus hem in. De twee wachters waren ondertussen aangekomen bij de verzuipende myrofas. Het bleek een phaosfee te zijn. De wachter gooide het touw naar hem toe. 'PAK HET TOUW, DAN TREKKEN WE JE ER UIT,' riep Sadirs naar de verzuiplap. Het scheen dat mensen die bijna dood gingen niet zoveel meer hoorden.

« [Reactie #6] : 6 jaar geleden »
Horen, horen, ja, dat ging nog half, verwerken en reageren werd algauw moeilijker. Niettemin was dit een phaosfee die een buitengewoon sterk overlevingsinstinct had. Een noodzakelijkheid in bepaalde buurten van Oikilan. Of eigenlijk overal in Oikilan als iemand net ontdekt had dat je een brood of geldbundel had overgenomen uit de boedel.

Het woord 'touw' en het voelen van hennep, deed het genoemde instinct in werking treden en de jonge phaosfee greep het touw. Om vervolgens onmiddellijk weer onder water te verdwijnen, maar aangezien er nu door twee wachters aan hem getrokken werd, was hij algauw weer boven en stond hij even later druipend en kotsend op de oever.

Dit keer was hij echter zo moe en beroerd dat hij alleen maar als een verzopen katje kon staan huiveren. Met een gescheurd hemd, en lange slierten zwart haar die tegen zijn gezicht aan plakten, had hij nog het meest van een straatjochie.

« [Reactie #7] : 6 jaar geleden »
De phaosfee werd in zijn nekvel gegrepen en het water uit gehesen toen hij dicht genoeg bij de kant was. Terwijl de jongen nog aan het hoesten en proesten was, fouilleerde Sadirs hem magisch. Hij bleek geen wapens bij zich te hebben. 'Kom maar mee, binnen kun je een opwarmen.' De gorgo gaf Jakobus een knikje. 'Ik heb hem gecontroleerd, hij heeft niets bij zich.'

En zo ging het drietal in de richting van het deurtje. Daar gingen ze naar binnen en liepen vervolgens naar de wachtgebouwen. 'Wie ben je en waar kom je vandaan?' vroeg Sadirs. Het maakte niet zo heel veel uit wie hij was, de kapitein moest maar beslissen wat er mee moest gebeuren. Een half verzopen jongen buiten laten staan vond Sadirs in ieder geval niet bijster eerzaam.

« [Reactie #8] : 6 jaar geleden »
De halfverzopen jongen had het vooral erg koud gevonden als de gorgo hem had laten staan. "Woah, ben je familie van Jotar?" vroeg hij zodra hij zijn redders in nood wat beter had bekeken.

"Joash," antwoordde hij. Niemand kende hem hier toch. "Ik kom uit de stad. Rozenbuurt." Het joch keek zijn ogen uit. Het blikveld was niet zo groot meer bij nacht, maar er waren genoeg fakkels die licht en schaduwen creëerden. En het enorme kasteel verderop was natuurlijk zelfs bij nieuwe maan bijna niet te missen. Wie woonden hier? Rijke lui dan toch zeker, dat moest bijna wel. Hij kreeg al bijna visioenen van volle geldbuidels en zilveren lepels. Oh, als die eens binnen handbereik waren..

« [Reactie #9] : 6 jaar geleden »
Sadirs lachte. 'Hebben de hoeren tegenwoordig rozen nodig om klanten te krijgen?' Hij had aardig wat gezworven, van de ene heer naar de andere. En uiteraard was hij ook in Oikilan geweest. Hij had het er maar druk gevonden, maar de rosse buurt had hij zeker bezocht.

'Kom je hier om te studeren? Of ben je gewoon verdwaald?' vroeg de gorgo. Hij hield de jongen nauwlettend in de gaten. Het slag volk dat in de rozenbuurt van Oikilan rondliep was vaak vingervlug en niet te vertrouwen. 'Hoe ben je eigenlijk in de slotgracht beland? Vergeten dat je niet kon zwemmen?'

« [Reactie #10] : 6 jaar geleden »
"Geen idee, zou kunnen. Mijn ma gebruikt ze nie. Die lui daar houden nie eens van rozen, die willen gewoon even lekker bonken." Wat daar aan was, was Joash vooralsnog een raadsel, maar als ma d'r blij van werd..

De slangenkop hield hem al net zo in de gaten als de wachters thuis deden. Hij deed heel aardig enzo, maar als hij zijn vingers in diens buidel stak, was hij ze vast kwijt. Beter zocht hij ander gezelschap. En natuurlijk vroeg ie wat Joash hier kwam doen.

"Kweenie." Hij haalde zijn schouders op, nieste hardgrondig. "Ik reed mee op een kar en toen waren we hier. En 'k dacht dat jullie me vast niet binnen zouden laten." Hij nieste opnieuw. "Ik loop wel 'n keer terug denk ik."
Als hij wist waar hij was dan. Hij had geen flauw idee.
In elk geval ging hij hier niet blijven als ze allemaal waren zoals die gorgo. Hij hield niet zo van die lui. Bovendien kon je in Oikilan nog lekker in de massa opgaan, maar hier?

« [Reactie #11] : 6 jaar geleden »
Het was een nogal merkwaardige optocht die de wachtgebouwen binnenging. Stevanof, net onderweg van zijn huis naar de kantine - zijn wacht zou over een halfuur beginnen en Magdalene was al aan het werk - zag ze lopen en trok zijn wenkbrauwen op. Jakobus die een jonge en druipende phaosfee aan een arm hield, en aan de andere kant waren Sadirs slangen zichtbaar. Daar moest Stevanof het zijne van weten en omdat hij toch al die kant op ging, liep hij het drietal maar achterna.

'Ik wist niet dat er zulke vissen in de gracht zwommen,' merkte hij op toen hij zijn collega's van achteren genaderd was. Van de jongen kon hij weinig zien, alleen zijn haveloze kleren. Dit was geen aankomende student zo te zien. Wat dan? Iemand die om een baantje kwam smeken? Dat kon natuurlijk altijd, er werkten genoeg jochies in de keuken om dit een aantrekkelijke werkplek te laten lijken.

« [Reactie #12] : 6 jaar geleden »
Een geïrriteerde kapitein stapte zijn kantoor uit. Wie had het bedacht om nu nog volop te gaan praten, daar had Nillai geen behoefte aan. Er werd dus maar even gekeken wie het nodig vond om te storen. Een stel trouwe wachters en een half verzopen phaosfee. Nou vroeg de kapitein zich wel af of het wachtgebouw[1] ineens een opvang was geworden. De twee wachters werd aangekeken.
"Sinds wanneer zijn de wachtgebouwen een opvangcentrum voor verzopen myrofas? Wat doet die phaosfee hier?" Het was dat het al laat werd en dat Nillai ook liever andere dingen deed op dit moment, anders had hij misschien beter gereageerd. Maar ach, zo te zien was de phaosfee niet veel soeps, zeker niet in deze staat.
 1. Ik neem aan dat dit na de verhuizing van het kapiteinskantoor speelt? Anders dan IS Nillai aan zijn laatste rondje naar het wachtgebouw bezig.

« [Reactie #13] : 5 jaar geleden »
Joash was wel even uitgetuurd en er bovendien een beetje zat van dat er over zijn hoofd over hem gepraat werd. Een beetje als de stadswachter die je in zijn nekvel had gegrepen en de groenteboer die wel drie appels armer was.

"Zeg," protesteerde hij, "ik staat erbij hoor. En as ik een vis was, was ik heus niet verzopen anders." Hij probeerde zich los te rukken uit de greep van de wachters en spetterde daarbij de garde nat als een hondje. "En lopen kan ik ook wel zelf, dankuzeermeneer."

Eigenlijk was hij niet zo graag het middelpunt van deze belangstelling. Als ze hem nou even loslieten, dan kon hij er vandoor gaan. Een plekje zoeken om op te drogen en een beetje te slapen. Het was hier groot genoeg om een jochie van tien te verbergen schatte hij zo in.

« [Reactie #14] : 5 jaar geleden »
Stevanof besloot er maar bij te blijven, kon hij mooi het jochie in de gaten houden. Die zag eruit alsof hij zich niet zo heel prettig voelde hier, te midden van vier wachters. Sadirs vertelde intussen aan kapitein Hestür dat ze de phaosfee uit de gracht gevist hadden, maar er nog niet achter waren wat hij hier precies kwam doen. En oh ja, de jongen had ook nog geprobeerd de mantel van een leerling te jatten.

De luchtelf wist wel wat hij zou doen met de jongen als hij moest beslissen. Op laten drogen, ergens laten slapen waar hij niet weg kon, en dan morgen meegeven aan een handelaar die naar Oikilan ging. Er kwam er vast wel een voorbij.

« [Reactie #15] : 5 jaar geleden »
"Da's nie waar!," onderbrak Joash de derde wachter en plotseling iets minder fel: "Hij gaf die mantel, had ie maar nie moeten doen als ie 'm terug wou. Gegeven is gegeven. Maar toen werd-ie opeens kwaad en donderde ie me weer de gracht in. Khad wel dood kunnen zijn! En tis verrekte koud ook!"
Nee, als ze iemand moesten straffen dan was het die halve wolf wel. Hem een beetje in de gracht kieperen... Hij keek voor de zekerheid even om zich heen of hij de vent kon ontdekken. Bah, zijn haren waren zeiknat, alles was zeiknat. Joash niesde opnieuw en huiverde.

« [Reactie #16] : 5 jaar geleden »
Er werd wat heen en weer gepraat en het einde van het liedje was dat de jongeman in kwestie de nacht mocht doorbrengen in de cel. Sadirs werd naar de keuken gestuurd om te zorgen dat een loopjongen wat overgebleven pap naar de kerkers zou brengen en Stevanof en Jakobus mochten het knulletje op zijn logeeradres afleveren.

Stevanof voelde weinig medelijden met het ventje. Hij zag eruit alsof hij aan het opgroeien was voor galg en rad en dat ook helemaal niet erg vond. Maar nat was hij wel, en dat kon natuurlijk niet zo blijven. Stevanof had dan weinig op met straattuig, een onmyrofas[1] was hij niet. En dus werd er niet alleen fakkel opgehangen in de gang waar de kerkers gelegen waren, hij was ook nog zo goed om met behulp van magie de kleding van de jongen wat op te laten drogen, en zelfs regelde hij nog een deken. 'Eigendom van de school,' waarschuwde hij de jongen. 'Die verwacht ik dus morgen weer in dezelfde staat terug.'

Een slot klikte, en daar zat de knul, in de cel weliswaar, maar droog, met een deken, en een kom pap. Hij kon het slechter hebben getroffen.
 1. onmens

« [Reactie #17] : 5 jaar geleden »
Joash voelde wel veel medelijden met zichzelf. Nou was hij zomaar in een cel gestopt en hij had niets gedaan! En die luchtelf had er nog behoorlijk bij gekeken ook, alsof hij elk ogenblik het kasteel kon leegroven.
Nou ja, het was wel vriendelijk dat hij een deken kreeg enzo en de pap was beter dan hij de afgelopen weken had gegeten, ook al was hij dan dik geworden van het opwarmen. Eten was eten en zo lang het eten was dat uit eigen beweging in je maag bleef, mocht je zeker niet klagen.
Moe van de lange dag wikkelde hij de deken strak om zich heen en krulde zich vervolgens op in een hoekje om pardoes in slaap te vallen.

« [Reactie #18] : 5 jaar geleden »
De slaap van de jongen werd ruw verstoord. Een koud, haast galmend geluid, dreunde door de kerkers. De oorzaak was een metalen ring om de hand van de phaosfee die niet zachtzinnig tegen de tralies van de cel waar de knul lag werd getikt.

De vrouw had een verzorgd uiterlijk, een dure jurk, een gezond uiterlijk en volumineus haar. Het gezicht stond echter vrij kil, hoewel eerder emotieloos. Het was een masker. Het beeld van de arme magere knul trof de vrouw. Het ventje was ongeveer even oud als haar eigen zoon en die had ze al in geen tijden gezien. Niet dat ze daar iets van zou laten merken, juist niet.

Maida sprak niet. Ze wachtte tot de jongeman wakker was en goed en wel rechtop was gaan zitten. et wat geluk had hij ook het fatsoen om zich voor te stellen.

« [Reactie #19] : 5 jaar geleden »
Vrouwe Luthés hoefde niet lang te wachten. De jongen in de cel kwam razendsnel overeind om onmiddellijk weer op zijn snuit te gaan. Vloekend als een bootwerker ontdeed hij zich van de deken. Het was ongeveer op dat moment dat zijn hersenen aangingen en hem vertelden dat hij niet weg kon sprinten.
Joash wreef in zijn ogen en kwam overeind. Oh ja, ze hadden hem opgesloten. En nu...

"Woah," zei de jongen. Dat was ja een phaosfee! En n'n duren ook!
Als vanzelf werd er, zo goed en zo kwaad het in dit licht ging, een voorzichtige schatting gemaakt van het vermogen van de phaosfee. En vrijwel tegelijkertijd een inschatting van de bereikbaarheid ervan. Joash kwam voorlopig op 'minder dan 1%' uit.
"Wie bent u?" vroeg hij verbaasd. Dat zij zou willen weten wie hij was, kwam niet eens bij hem op. Niemand vroeg hem ooit naar zijn naam. Je had geen naam nodig om iemand een oorvijg te geven. Of op te sluiten.

« [Reactie #20] : 5 jaar geleden »
Op taalgebruik en manieren scoorde de jongen minpunten. Een korte blik van minachting was te zien in de ogen van de vrouw. Toch kreeg hij antwoord. Ze had een reden om hier langs te gaan en vertrekken zonder een woord gezegd te hebben zou reinste tijdverspilling zijn. "Vrouwe Luthès. Zwart schoolhoofd van Bumetrel, de school waar je je nu bevindt." Ze had geen idee of de jongen enig besef had van waar hij was en wat men hier deed. Om onnodige vragen te voorkomen, gaf ze bij voorbaat maar een extra zin aan uitleg.

"Waarom ben je hier?" begon de ondervraging. "Wie ben je? En wat verwacht je hier te bereiken? Ben je door iemand gestuurd?" Dingen gebeurden zelden toevallig. Dus dat de jongen zomaar was aan komen waaien, had ze afgedaan als kletskoek.

« [Reactie #21] : 5 jaar geleden »
Een vrouwe en nog een schoolhoofd ook. Niet dat hij wist wat dat precies inhield, maar als je ergens het hoofd van was, was je in elk geval belangrijk.

Een spervuur van vragen werd op hem afgevuurd en Joash stond al op het punt om overal 'ik weet nergens van' op te antwoorden, toen hij zich bedacht. De gebruikelijke tactiek was misschien niet zo handig als je in een kerker zat en er graag weer uit wilde.

"Ik heet Joash", zei hij. "Ik woon in de Rozenbuurt. Ik kwam hier met een kar. Wist ik veel dat die gast de stad uit ging? Toen ik wakker werd, was ik opeens op de weg. En daarna stopte hij hier voor de poort en ben ik er afgesprongen. Maar ik wist nie waar ik was, dus ik besloot eens een kijkje te nemen. En toen ben ik in de gracht gepleurd. Een of andere gast gaf me zijn mantel en daarna stopten ze me in de cel. Maar ik had niets gedaan, heus niet!"

« [Reactie #22] : 5 jaar geleden »
De vrouw leek niet heel erg veel van het verhaal te geloven. "Ja, ja," zei ze. Ze draaide haar hoofd wat en bestudeerde de jongen. "En wat wilde je doen nu je toch hier toevallig bent? Had je specifieke plannen? Wil je weer terug naar waar je vandaan bent gekomen? Wat verwacht je van ons?" De kans dat ze zijn wensen tegemoet zouden komen was vrijwel nihil, tenzij hij zich opeens netjes zou gaan inschrijven en leerling wilde worden, maar daar leek het niet echt op. Hij was niet uit het juiste hout gesneden om te studeren, zag het ernaar uit.

« [Reactie #23] : 5 jaar geleden »
Pff, die vrouw was wel erg vasthoudend. "Okee, okee!" zei Joash. "Misschien was ik wel van plan om hier een beetje rond te kijken. Een kasteel, daar wonen rijkelui. En misschien niet zo slim. Ze kennen me hier niet. Een paar dingetjes maar, kleren misschien. En dan terug naar Oikilan. Denk ik. Weet ik veel. Ik ken alleen Oikilan. Een paar spullen extra en je heb eten, een beetje ru-spekt. Een keertje geen slaag krijgen van een rakker." De jongen schudde het hoofd. "Maar kheb echt niks gedaan. Die wachters gaven me geen kans. Die ene gaf me eten en een deken. Das thof. Kunt u dat zeggen? Doen ze in Oikilan ech nie." In de stad hadden ze zijn vingers er afgesneden. Ook al had ie die mantel niet gejat.

« [Reactie #24] : 5 jaar geleden »
Er kwam nu in ieder geval de waarheid uit. De vrouw bestudeerde de jongen een tijdje. Het kind zou opgroeien voor galg en ras, zodra ze hem hier de poort uit zouden zetten. Misschien moest dat ook maar. Ze waren geen opvang.

"Kun je rekenen? Of lezen en schrijven? Ben je magisch misschien? Of goed in rennen?"

Waarschijnlijk was hij wel goed in het laatste en de kon hij voor de rest geen van de dingen die ze opnoemde. Het was een kansloos geval. Ze zou straks wel een wachter opdragen om hem weer buiten te zetten. Hij moest waarschijnlijk te voet terug, maar met wat geluk zouden er karren rijden.