Archief > Afgerond in 1299

Ik hou van jou

(1/3) > >>

Dux Semaris Roubære:
 :prive:

's Nachts, slaapkamer Heracor

Dux lag in zijn bed, het was namelijk allang bedtijd geweest, maar hij droomde niet vredig over bloemetjes en bijtjes, nee, hij droomde helemaal niet. Met wijd open gesperde ogen lag Dux in zijn bed, en probeerde zichzelf wakker te houden door onmogelijk moeilijke raadsels te verzinnen en ze op te lossen. Tot nu toe was het wel gelukt, maar zijn ogen werden steeds zwaarder, en de constante ademhaling van slapende myrofas maakte dat hij zijn ogen wou sluiten en wou gaan slapen.

Maar dat deed hij niet. Niet vanavond. Hij had het al vaker geprobeerd, maar was steeds in slaap gevallen. Vanavond zou het hem lukken. Een wachter kwam de slaapzaal binnen en liep snuffend langs alle bedden. Bliksemsnel kneep Dux zijn ogen stijf dicht en probeerde een ontspannen indruk te maken. Het geluid van voetstappen kwam steeds dichterbij, en stopte even. De wachter bleef wel zijn neus ophalen, kennelijk was hij nogal verkouden. Dux hield zijn adem in, maar de wachter liep door en ging uiteindelijk de slaapzaal weer uit. Dux telde tot honderd en kwam langzaam omhoog. Nu zou hij wel weg moeten zijn. Vanonder zijn kussen pakte hij het vel perkament dat hij had klaargelegd, en onder zijn bed lag een veer en een potje inkt wat hij oppakte. Zo zachtjes mogelijk sloop hij naar de deur, deed die open en liep de trap af. De wachter was nergens meer te bekennen.

De haard brandde niet meer, gloeide alleen nog zachtjes na. Dux vloekte. Nu moest hij ergens een kaars vandaan halen. Hij kon goed zien, maar niet zo goed dat hij 's nachts zonder licht een brief kon schrijven- terwijl hij zag wat hij deed. Half op de tast zocht Dux naar een kaars of een flambouw. Op een gegeven moment had hij een kaars te pakken. Door het donker liep hij naar de haard, stootte onderweg ernaartoe zijn knie tegen een tafeltje en bereikte half strompelend de haard. Gelukkig gloeide die nog wat na, zodat de kaars na wat gepruts aanging. Nu Dux meer zag, werd een stoel bij de tafel zonder narigheden bereikt en ging hij zitten.

Nu kwam het moeilijkste gedeelte van de hele avond: de brief schrijven. In bed had hij er, tussen de raadsels door, al wat over nagedacht.
Liefe Gisèle, Stap 1 was gezet. Je bent heel mooi en lief- Dux stopte. Nee. Veel te zoetsappig. Hij kraste de zin door en begon opnieuw. Ik ben heel blei dat ik ju heb leren kenen, Ja, wat nu. Dux dacht diep na, en schreef er nog wat zinnen onder. Nu het kleffe gedeelte, daar hielden meisjes tenslotte van. Je bent een heel lief mijsje en ook heel mooj. Dux kneep zijn ogen tot spleetjes en keek nog eens naar het laatste woord. Er klopte iets niet. Hij kraste het woord door. mooi. Zo, nu klopte het. Ingespannen schreef Dux verder, stopte soms even om over de spelling van een woord na te denken. Schreef je vind nou met een f of een v? Dux hoopte ontzettend erg dat Gisèle het niet erg zou vinden dat zijn spelling miserabel was, maar in het klooster schreef hij altijd in het Engels, en tijdens de lessen toen hij bij zijn clan was schreven ze maar heel soms in het Latijn.

Na een tijdje besloot Dux dat de brief af was en las hem nog eens door. Het was wel heel kinderlijk allemaal. Maar erg veel zin om erover na te denken had Dux niet, midden in de nacht. Zijn vermoeidheid was alleen maar erger geworden. De gedachte of hij nou wel of niet zijn naam eronder moest zetten slokte al genoeg energie op. Uiteindelijk besloot hij van wel. Hij was net klaar met de D toen hij voetstappen hoorde. Dux blaasde de kaars uit en griste het perkament van tafel. De hele kamer rook nu natuurlijk naar de kaars... Nu was het alleen zaak om zo snel mogelijk een verstopplek te vinden. Veel tijd had hij echter niet, dus bij gebrek aan beter dook hij onder de tafel. Op het moment dat hij bukte ging de deur open en kwam de wachter binnen. Naast voetstappen, hoorde Dux ook het geluid van een man die zijn neus snoot. Gelukkig, het was de verkouden wachter weer. Zijn hart klopte in zijn keel, en gespannen wachtte Dux af totdat de wachter de trap op was gelopen. Toen hij in de slaapzaal was verdwenen kroop Dux naar de dichtstbijzijnde bank en maakte zich zo klein mogelijk. Hij prevelde een schietgebedje en hoorde de deur weer kraken. De wachter maakte zijn ronde af en verdween weer. Opgelucht haalde Dux adem, en verdween razendsnel weer naar zijn bed. Die brief bezorgen durfde hij nu echt niet meer. Hij verzon wel wat anders.

De volgende dag, gymzaal.
Met grote wallen onder zijn ogen was Dux aan het ontbijt verschenen, en tot overmaat van ramp had hij vandaag ook nog gym. Gelukkig was die feeënvrouw makkelijk over te halen geweest. Met een zielige blik was Dux naar haar toegegaan, dat hij vannacht zulke nare dromen had gehad en zo weinig had geslapen, en of hij alsje- alsjeblieft wat mocht uitrusten op de slaapzalen? Niet alleen had ze hem laten gaan, ze had hem nog thee en warme melk gegeven ook. Zelf een kruik had Dux meegekregen. Dankbaar had hij geglimlacht en was naar de kleedkamers gegaan. Uit zijn tas haalde hij de brief, die hij zo goed mogelijk had verstopt. Even wachtte hij nog, maar glipte uiteindelijk de meisjeskleedkamer binnen om de brief tussen Gisèle's kleding te verstoppen.

De trappen naar de slaapzaal werden opgelopen en dankbaar sloot Dux zijn ogen terwijl hij een slokje warme melk nam. Nu maar hopen dat niemand anders hem vond.

Spoiler (klik om te bekijken/sluiten)Liefe Gisèle,

Ik ben heel blei dat ik ju heb leren kenen, ook al leverd het me waarsgjinleik waarsgijnlijk veel gedoe op. Want jeij bent een weerwolv en ik ook. Tog ben ik ferliefd op je geworden. Je bent een heel lief mijsje en ook heel mooj mooi.

Ook al ben je fan de groenne afdelin, ik haat ju niet. De mutand wel maar die is ztom stom. Altijd als ik naar je keik dan kriebelt het in mein buik. Dat find ik niet leuk maar jou wel. Ik hoop dat jeij meij ook leuk fint vint maar als je meij niet leuk vint dan mag je dit aan niemant vertellen of anders dan word ik boos. En dat is niet leuk.

Ik sou graag een keertje alleen met je sijn om je beter te leeren kenen.

Ik hau van jou,

D

Gisèle M. S. Ne. Ethelgis:
Het was een gure novemberdag, de wind waaide en het was niet bepaald zonnig. Gisèle was op weg naar gym. Ze vond gym echt leuk! Rondrennen, klimmen. Het waren dingen die niet bepaald meisjesachtig waren, maar met gym hoorde het zo.
'Gymnastiek! Yay!' riep ze dan. Klasgenoten keken haar verbaasd aan, om dan hun wenkbrauwen op te trekken. Veel van hen vonden gymnastiek niet bepaald leuk.
'Gym?' zeiden ze dan. 'Vind jij gym leuk?' Als Gisèle daarop weer vol enthousiasme 'Ja!' op antwoordde, zuchtten ze diep. Natuurlijk snapte de weerwolvin niet waar het over ging. Nee, echt niet.

Het meisje was op weg naar de gymzaal en huppelde vrolijk rond. Ze stoof de kleedkamer in, waar ze haar gymkleren aantrok en vervolgens rende ze weer naar buiten. Ze sprong, klauterde, hing overal in en deed nogal overactief mee met de gymles. Babbelen was ook een van haar bezigheden. Dat was leuk en gezellig, communiceren.
Zo was ze eenmaal. Zo was Gisèle.

Na de les kwam ze druk kletsend met een of ander luchtelfje uit haar eigen afdeling de kleedkamers binnengelopen. Hoe heette ze ook alweer? Ma.. Ma.. Nee, ze wist het niet meer. Wat ze wel wist was dat het elfje een leuke gesprekspartner was.
'Jij bent gewoon een oen,' reageerde Gisèle lachend op iets wat Ma-nogiets tegen haar had gezegd. De luchtelf lachte en wees toen naar haar kleren. 'Sorry, ik ga hier staan.'
Gisèle glimlachte en knikte. Daarna ging ze naar haar eigen kleding toe, om zich om te kleden.

Maar er was iets vreemds. Er stak een klein vaalwit puntje tussen de stapel kleren uit.

Verwonderd tilde de weerwolvin een wenkbrauw op en trok aan het stukje papier. Tot haar grote verbazing was het niet alleen een snippertje, maar een écht vel! En er stond iets op!
Schichtig keek het meisje om zich heen, bang dat iemand het misschien gezien had. Straks zou ze het wel gaan lezen. Vluchtig schoof ze een willekeurig kledingstuk over het papiertje en trok iets over haar hoofd om de indruk te wekken dat ze zich aan het aankleden was. En ze trok nog iets aan. Probeerde het velletje papier te vergeten.

Maar helaas, de nieuwsgierigheid won het toch van de 'dreiging' om door iemand gezien te worden en onopvallend duwde ze tegen haar berg kleren. Het papiertje kwam weer tevoorschijn. Liefe Gisèle, was het eerste wat haar opviel. De Merifeller hapte onhoorbaar naar adem en haar wangen kleurden ietsjes roze. Het was een liefdesbrief! Een liefdesbrief! Wie begon er anders een brief met lieve en deed er zo stiekem? Ze vouwde het papiertje dubbel en moffelde het vliegensvlug weg in de mouw van haar gewaad. Er werd vaagjes 'Daag!' geroepen naar de meisjes in de kleedkamer en ze spurtte ervandoor.

Waar was een plek waar niemand anders kwam? Waar zou niemand haar storen? Tijdens het rennen dacht ze daarover na. In een boom misschien? Ja, dat was een goed idee. Zo snel mogelijk zocht Gisèle de weg naar buiten, rende het grasveld over en klom in de dichtsbijzijnde boom, hoog in de takken. Hier zou niemand haar gaan zoeken.

De weerwolvin nam plaats op een tak en haalde de brief uit haar mouw, vouwde hem uit en begon te lezen. Een klein lachje verscheen op haar gezicht, die groeide en groeide naarmate ze vorderde met lezen. Toen ze klaar was met lezen, las ze hem nog een keer. En nog eens. En nog eens. Keer op keer. Verdoofd bleef ze op de tak zitten. Er was iemand verliefd op haar.
Was zij ook verliefd, dan? Nee toch? Of wel? Het was een lastige kwestie. Ze kon toch niet verliefd zijn. Peinzend beet Gisèle op haar lip. Goed, er was wel iemand die ze erg leuk vond.
Maar daar was ze echt niet verliefd op! Ze wilde helemaal niet verliefd zijn want dat was stom en dan gingen ze allemaal kleffig doen en ook raar. Enzo. Dat soort.

Mja, misschien was ze toch wel verliefd. Ze kreeg wel puddingbenen namelijk. En ook kriebels. En ze wilde ook graag bij hem zijn, maar zodra ze bij de persoon in kwestie in de buurt kwam, wilde ze eigenlijk weer weg. Maar ook niet. Wat tegenstrijdig.

Goed, maar daar ging het nu niet om, maar ook wel. Het ging erom dat de mysterieuze aanbidder D. ontmaskerd moest worden. Nuja, er waren nogal weinig mysterieuze mannelijke weerwolven met een D. als initiaal en die Oréwinde's mutanten noemden. Dat was er maar één. En dat was Dux.

'Duxiepuxiefluxiehuxiepuxietuxie!' schreeuwde ze plotseling heel hard. 'Gissiepissieflissiehutsieputsiestutsie zoekt je!' De kans dat hij dat gehoord had was nogal klein, want wie zei dat hij hier was? De brief werd weer weggestopt en razendsnel, met een roffelend hart liet het meisje zich haast naar beneden vallen uit de boom. Eenmaal beneden begon ze te rennen, richting de school.
'Duxzeeeeeel!' riep ze weer. 'Waar zit je?' Och, dit was onbegonnen werk. Ze moest wel heel hard schreeuwen wilde ze de weerwolf bereiken vanaf hier. Wacht, misschien zat hij in de Heracortoren. Gisèle ging de school binnen, doorkruiste de binnenplaats, en ging bij de oefenvelden weer naar buiten.
'Hè!' werd er hard geroepen richting de toren. 'Duxiééééééééeééééé!'
Weerwolven hadden goede oren en een goede neus. Vooral die oren zouden nu erg van pas komen.

Dux Semaris Roubære:
Dux trok zijn uniform uit waarna hij in zijn schuyrte onder de dekens ging liggen. De warme melk, thee en de kruik deden hun werk. Al snel zakten zijn oogleden dicht en viel Dux in slaap. Hij droomde over de mutant, die de brief vond. Ze lachte hem uit, hield de brief vlak voor zijn gezicht vast terwijl ze een gemeen deuntje zong. 'Na na na na naa, je kan hem toch niet pakken...' Hoe snel Dux ook rende en hoe hoog hij ook sprong, de brief ontglipte zijn vingers telkens weer, terwijl Oréwinde gillend van het lachen om hem heen hupste. 'Hou op!' gilde Dux in zijn droom. ''Hou op! Geef hier!' Zijn woorden waren tevergeefs en om hem heen begonnen meerdere mutanten zich te verzamelen, hem uitlachend en dreigend grinnikend. Er was geen mogelijkheid dat hij uit de cirkel die ze om hem heen vormden kon uitsnappen en Dux werd bang. Hij duwde tegen ze aan om een gat te creëren, maar ze duwden hem terug, op de grond, schopten en sloegen, terwijl ze steeds harder en harder lachten.

Een gil, die van een meisje, haalde hem uit zijn slaap en liet hem hijgend wakker worden. Dux' lichaam was klam van het zweet, de kruik plakte tegen zijn natte schuyrte aan. Hij haalde een hand door zijn haar, dat alle kanten op stond en kwam zijn bed uit. Voor ze zekerheid keek hij even onder het ding, maar het zag ernaar uit dat de mutant er niet onder lag om hem uit te lachen. Nog een keer hoorde hij iemand roepen. Was het Gisèle? Dux' hart begon sneller te kloppen. Waarom riep ze zo naar hem? Ging ze hem uitlachen? Hadden de goden hem een voorspellende droom gestuurd? Hij liep naar het raam en stak zijn hoofd eruit. Het was Gisèle.

Hij zag er waarschijnlijk verschrikkelijk uit, met een kapsel als een vogelverschrikker, glimmend van het zweet en misschien ook nog een melksnor. Snel veegde Dux langs zijn bovenlip en voorhoofd, wat alleen maar bijdroeg aan de zwerverlook. ''Ik kom!'' riep hij. De melk en thee waren inmiddels koud geworden, alleen de kruik leek alleen maar warmer te zijn geworden. Hij rende naar de badkamers waar een ouderejaars hem bevreemd aankeek. Dux negeerde hem en waste zijn gezicht en haalde zijn natte handen door zijn haar. Het werd iets platter, maar erg veel beter niet. Dux stampte de slaapzalen weer binnen en deed de schuyrte weer uit. In bezwete kledij ging je niet naar een dame, tenslotte. Zeker niet als die kledij enkel uit een schuyrte bestond. Hij trok normale kleren aan en kreeg een iets minder bevreemde blik van de ouderejaars toen hij de slaapzaal uit stormde.

Wat zou ze zeggen? Wat zou ze doen? Bij elke traptree die Dux af roffelde sloeg zijn hart een stukje sneller en groeide zijn onzekerheid een beetje. Wat nou als ze hem afwees? Of als de mutant alsnog uit de bosjes sprong om lachend om hem heen te gaan dansen? Dan moest hij van Bumetrel af, zonder twijfel. Met zo'n reputatie kon hij hier echt niet blijven. Maar als hij terug naar zijn clan zou gaan zou Pyrrhus hem vast ook uitlachen en hem daarna weer terugsturen. De clan had niet betaald om een opleiding opeens af te breken. En daarbij doet een Gévaudan dat niet. Die houd zijn hoofd omhoog en draagt het leed.

Dus dat was wat Dux deed. Hij hield zijn hoofd omhoog. Hij had nog steeds zijn trots, ook al verkeerde hij nu in een staat van afwachtendheid en verwarring. Hij had de brief gemaakt, aan Gisèle gegeven en dat had consequenties. Als hij die niet kon dragen, was hij dan nog wel een man?

Daar stond ze, bij de toren. ''Hoi.'' zei Dux. Hij voelde hij zijn wangen rood werden, maar ondanks dat probeerde hij om zijn hoofd koel te houden. ''Wat is er?'' Alsof hij niet wist wat er gebeurde.

Gisèle M. S. Ne. Ethelgis:
Een raam onthulde een hoofd. Het was een hoofd met bruin haar. Het was het hoofd van Dux.
'Hoooooi!' riep het meisje beneden vrolijk terug en ze zwaaide wild. Vervolgens slokte het raam het hoofd weer op en was Dux weg. Arm hoofd. Onrustig sprong Gisèle heen en weer, wachtend en wachtend en nog meer wachtend. Het leek veel te lang te duren. 

Maar ja, daar in de verte, kwam een Dux aangelopen! Hij begroette haar, vroeg wat er was (Oeh, wat beleefd.)
Wat was er? Domme vraag. Er was heel veel!
'Je gaf een ding!' toeterde Gisèle luid, te luid. Iedereen in een grote straal om hen heen kon meeluisteren en degenen met goede oren misschien nog wel van verder weg. Niet goed dus. Maar dat kon de weerwolvin niets schelen. Eigenlijk lette ze daar niet eens op.
'Kijk dan! Kijk dan!' Met een zwierig gebaar trok ze de brief achter haar rug vandaan en duwde hem bijna in Dux's gezicht. Haar ogen glinsterden en ze stuiterde helemaal.
'Deze is van jou toch? Ja toch? Hij is toch wel van jou? Want jij bent toch D.? Toch?' Het gezicht van het meisje betrok en een ietwat trieste, angstige uitdrukking verscheen op haar gezicht.
'Want als jij D. niet bent dan mag jij dit ook niet lezen.' Resoluut hield de Merifeller de brief weer achter haar rug.[1] De kans dat D. Dux niet was, was vrijwel nihil in Gisèle's ogen, maar je wist het maar nooit.
'Dit is een héle mooie brief..' zei ze een heel stuk zachter. Het meisje grijsde mysterieus. 'Mits ie van jou is. Anders is het stom en zielig.'
 1. Tenzij Dux de brief afpakt :P

Dux Semaris Roubære:
Gisèle riep, niet zomaar, nee, hard. En in haar handen had ze de brief. Die ze vervolgens bijna in zijn gezicht duwde. Dux probeerde niet in paniek te raken, maar zijn ogen verraden dat hij zich niet op zijn gemak voelde. ''Haal dat ding uit het zicht en schreeuw niet zo.'' siste hij, onvriendelijker dan hij bedoelt had. Nerveus keek hij om zich heen en pakte Gisèles arm vast en duwde de arm wat meer naar beneden en liet haar los. Gelukkig was het rustig op de binnenplaats, maar Dux wist niet hoelang dat zou duren met een gillende weerwolf.

Gisèle bleef doorroepen, ze trok te veel aandacht. Dux' nervositeit groeide, zijn nonchalante houding was nu officieel verleden tijd. Hij was in een situatie beland waarin hij niet de controle over had en niet kon beslissen wat er wel en niet gebeurde. Zijn leven was zoveel makkelijker geweest als hij niet verliefd was geworden op het meest stuiterbal-achtige meisje van heel Bumetrel, die als klap op de vuurpijl óók nog eens een weerwolf was. Net als hij. ''Niet zo hard.'' zei hij nog eens, nu aardiger dan net. Gisèles gezicht kreeg een wat verdrietige uitdrukking en direct maakte Dux zich zorgen. Oh nee, hij had vast iets verkeerd gedaan of gezegd en nu kwamen die vervloekte kriebels alweer terug in zijn buik! Hij had echt wel wat beters te doen dan als een hond met schurft aan zijn buik krabben.

Dux snapte het niet meer. Nervositeit en verwarring gingen nu hand in hand, want nu kwam er een mysterieuze trek op haar gezicht. Wat voor spel wou ze spelen? Het zou fijn zijn als hij een middel zou hebben om de tijd stil te zetten, want hier moest hij over na denken.
Ze vond het een mooie brief, maar alléén als de brief van hem kwam. Anders was het stom en zielig. Dus stel dat een landelf uit de vierde haar de brief zou hebben gestuurd, dan was het niet leuk geweest. Maar hij had de brief gestuurd. En dat vond ze leuk.

Dux grijnsde. Aha. Hij had een deel van de puzzel die Gisèle heette opgelost, maar er was nog een heel stuk over. Onbegonnen werk, maar er was een begin. ''Hmm...'' zei hij semi-nadenkend. ''Een brief? Heb ik de laatste tijd een brief gestuurd aan iemand...'' Hij keek haar aan. ''Volgens mij wel. Laat me die brief eens zien, misschien is-ie wel van mij. Of misschien ook niet?'' Raadseltjes geven kon hij ook wel, ook al waren ze veel minder gecompliceerd dan dit meisje was. ''Ik mag hem wel zien, toch?'' Met zijn aller-schattigste puppyogen-blik keek Dux haar aan. Als ze nu niet smolt, wist hij het ook niet meer. Wat het nut was voor hem om de brief te zien, wist hij ook niet, maar nu kon hij in ieder geval nadenken over zijn dilemma:

Toegeven of niet?

Navigatie

[0] Bijdragenindex

[#] Volgende pagina

Naar de volledige versie